Het kabinet stelt de komende vier jaar 420 miljoen euro extra beschikbaar voor de bouw van ouderenwoningen; een belangrijke en noodzakelijke investering. Tegelijkertijd ligt de grootste uitdaging niet in het bouwen van meer woningen, maar in het realiseren van woonomgevingen waarin wonen, welzijn en zorg slim met elkaar zijn verbonden. Alleen zo houden we de ouderenzorg toegankelijk en betaalbaar voor de toekomst.
Passende woningen verlengen zelfstandig wonen
Vanuit mijn werk in de zorgsector zie ik dat de zorgvraag sneller groeit dan de beschikbare capaciteit. Ouderen wonen langer zelfstandig, hebben een zwaardere zorgvraag en doen vaker een beroep op thuiszorg en welzijnsvoorzieningen. Tegelijkertijd staat de arbeidsmarkt structureel onder druk. Daardoor wordt het steeds lastiger om de zorg op de traditionele manier te organiseren.
Juist daarom is ouderenhuisvesting meer dan een woningbouwopgave. Passende woningen dragen eraan bij dat ouderen langer zelfstandig blijven, meer regie over hun leven houden en minder afhankelijk worden van intensieve zorg. Bovendien bevorderen geclusterde woonvormen ontmoeting, sociale cohesie en informele ondersteuning tussen bewoners.
Samenwerking tussen overheid, wonen en zorg
Het risico is dat de discussie zich te veel richt op aantallen woningen. Een woning alleen is geen oplossing. De echte opgave zit in het ontwikkelen van woonzorgconcepten waarin huisvesting, welzijn, zorg en gemeenschapsvorming samenkomen. Dat vraagt om intensieve samenwerking tussen gemeenten, woningcorporaties, zorgorganisaties en het Rijk.
Als we daarin slagen, profiteren niet alleen ouderen. De druk op verpleeghuiszorg en thuiszorg neemt af en de doorstroming op de woningmarkt verbetert, doordat ouderen kunnen verhuizen naar een woning die past bij hun levensfase.