De VHIM onderschrijft de doelen van de Wet passende huurcontracten, maar waarschuwt dat het voorstel de bescherming van internationale medewerkers juist kan verminderen. Onderzoek van het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB), uitgevoerd in opdracht van de VHIM, laat zien dat circa 72.000 extra huisvestingsplekken nodig zijn om aan de voorgestelde norm te voldoen. Zelfs bij een forse versnelling kunnen die pas na 2034 in totaliteit beschikbaar zijn.
Internationale medewerkers verdienen kwalitatief goede, veilige en betaalbare huisvesting, met passende huur- en huurprijsbescherming. Maar wetgeving alleen creëert geen nieuwe woonruimten en zorgt niet vanzelfsprekend voor meer bescherming. Zonder voldoende beschikbare huisvesting en een realistische overgangstermijn kan de bescherming juist afnemen.
De transitie ontbreekt
Het wetsvoorstel beperkt logies (juridisch ‘verhuur naar zijn aard van korte duur’) tot maximaal 30 nachten. In de praktijk is de periode langer en sluit de duur van logies vaak aan bij tijdelijk of seizoensgebonden werk en gaat het met regelmaat om meerdere maanden.
Het is niet realistisch te veronderstellen dat verhuurders na 30 nachten een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd aanbieden. Dat past veelal niet bij de tijdelijke aard van het verblijf, het werk en de huisvestingslocatie.
De voorgestelde tijdelijke huur is hier geen volwaardig alternatief voor. Het wetsvoorstel staat dit alleen toe als de huisvesting aan de Roemer-norm voldoet. Volgens het EIB voldoet de huisvesting van ruim 130.000 internationale medewerkers nog niet aan de voorgestelde eigen-slaapkamernorm. Daarvoor zijn circa 72.000 extra plekken nodig, oftewel ongeveer 24.000 woningen. Momenteel wordt jaarlijks voor 2.500 internationale medewerkers plekken toegevoegd. Zelfs bij opschaling naar 25.000 nieuwe plekken per jaar zijn die benodigde 72.000 plekken pas na 2034 in totaliteit beschikbaar. Zonder reële invoeringstermijn dreigen minder huisvestingsplekken, meer gedwongen verhuizingen, meer transportbewegingen, minder woonzekerheid en bij malafide verhuurders waarschijnlijk ook meer dakloosheid.
Wetten en normen moeten op elkaar aansluiten
Ook sluiten huurrecht en omgevingsrecht onvoldoende op elkaar aan. Veel locaties zijn vergund voor logies, terwijl het huurrecht straks juist ‘wonen’ voorschrijft. Een huisvester kan daardoor huurrechtelijk verplicht zijn een tijdelijke huurovereenkomst aan te bieden, terwijl de omgevingsvergunning alleen logies toestaat.
Daarnaast moeten bouwkundige kwaliteitseisen niet opnieuw in het Burgerlijk Wetboek worden opgenomen. Normen voor oppervlakte en voorzieningen horen thuis in het Besluit bouwwerken leefomgeving, de opvolger van het Bouwbesluit. Dubbele normering leidt tot tegenstrijdigheden en onduidelijkheid over toezicht en handhaving.
Van beschermd logies naar tijdelijke huur
De VHIM vindt het allereerst noodzakelijk dat een internationale medewerker na afloop van de logiesovereenkomst op dezelfde locatie kan doorstromen naar een tijdelijke huurovereenkomst. Deze tijdelijke huurovereenkomst moet één keer kunnen worden verlengd, met een totale maximale looptijd van twee jaar. Daarmee wordt voorkomen dat bewoners uitsluitend vanwege een verandering van contractvorm moeten verhuizen.
Aanvullend stelt de VHIM voor om de logiestermijn in gereguleerde sectoren te verruimen van 30 nachten naar vier maanden. Dat mag alleen wanneer aan het logiescontract aantoonbare huur- en huurprijsbescherming is toegevoegd en de handhaving daarvan is geregeld. De uitzendsector laat zien hoe dit kan. Het Prijs Kwaliteit Systeem (PKS) is gebaseerd op het wettelijke woningwaarderingsstelsel voor onzelfstandige woonruimte en op huisvestingsnormen uit de cao. De prijs van de huisvesting wordt daarmee gekoppeld aan de geboden kwaliteit. Na het einde van het dienstverband mag de internationale medewerker bovendien nog vier weken van de huisvesting gebruikmaken.
Zo ontstaat een logisch en beschermd traject: eerst vier maanden gereguleerd logies en vervolgens, waar nodig, tijdelijke huur op dezelfde locatie. Dat biedt internationale medewerkers tijd om zich te registreren, zich te settelen en een sociale omgeving op te bouwen. Als dat langer dan 2 jaar duurt is het ook logisch dat dit overgaat in onbepaalde tijd. Ook omwonenden krijgen meer rust, doordat onnodige verhuizingen en steeds wisselende groepen bewoners worden voorkomen.
Samenwerken aan oplossingen
De VHIM brengt graag haar kennis, ervaring, netwerk en middelen in om binnen lokale en regionale woondeals tot passende oplossingen te komen. Op korte termijn stelt de vereniging een manifest op over de manier waarop publieke en private partijen gezamenlijk voldoende kwalitatief goede en betaalbare huisvesting kunnen realiseren.
VHIM-voorzitter Mark Frequin: “Goede bescherming vraagt om meer dan een contract. Zij vraagt om voldoende huisvesting en regels die juridisch en praktisch op elkaar aansluiten. De gewenste eindsituatie is helder. Nu moeten we gezamenlijk ook de route ernaartoe organiseren.”
Deze inbreng is mede tot stand gekomen met leden, partners en deskundigen uit de huisvestingsketen. Bijna vijftig vertegenwoordigers dachten hierover mee tijdens een recente VHIM-kennissessie.
Zie de volledige inbreng van de VHIM en het rapport van het EIB in de bijlagen.