Veroordeling voorman Viruswaarheid voor opruiing in coronatijd blijft in stand

• Hoge Raad der Nederlanden

De veroordeling van de voorman van Viruswaarheid (voorheen Viruswaanzin) voor opruiing in coronatijd blijft in stand. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld.

De zaak

In een zaak die speelde tegen de achtergrond van de coronapandemie veroordeelde het hof Den Haag de verdachte in maart 2025 voor het meermaals opruien tot een strafbaar feit en legde hem daarvoor een taakstraf van 60 uur op

De veroordeling voor opruiing houdt verband met een aantal online uitlatingen van de verdachte.

Het hof oordeelde dat de verdachte met een bericht op Twitter op 16 november 2021 het publiek had aangespoord tot het overtreden van diverse coronamaatregelen die erop waren gericht om besmetting en verdere verspreiding van het coronavirus tegen te gaan.

Verder heeft het hof geoordeeld dat de verdachte met twee online uitlatingen via een livestream op Facebook het publiek duidelijk en direct heeft opgeroepen om te gaan demonstreren op het Malieveld op 28 juni 2020, nadat die demonstratie op 26 juni 2020 door de plaatsvervangend voorzitter van de veiligheidsregio Haaglanden was verboden.

Het gaat om de volgende uitspraken van de verdachte op 26 juni 2020:

(a) "De rechter heeft Viruswaanzin verboden om de demonstratie te organiseren. Wij, op persoonlijke titel, zijn zondag op het Malieveld. Ik nodig iedereen uit te komen. Het is ons recht om te demonstreren. Dit mogen wij doen. Daar kan niemand ons bij tegenhouden en we hebben heel veel organisaties achter ons", en

(b) “Dit is ons land en het is afgelopen. Het is afgelopen met deze onzin. Wij gaan demonstreren zondag op het Malieveld. Niet namens Viruswaanzin, wel in de geest van Viruswaanzin, dus ik hoop dat jullie allemaal mee komen. In liefde en geduld. Natuurlijk non violent en non cooperation".

Tegen deze veroordeling stelde de verdachte beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

Cassatieklachten

De advocaat van de verdachte heeft onder meer geklaagd over het oordeel van het hof dat de Facebook-uitlatingen niet kunnen worden opgevat als het oproepen tot een vreedzaam protest. Ook is geklaagd over het oordeel van het hof dat met de vervolging, berechting en bestraffing van de verdachte voor de uitlatingen geen ontoelaatbare inbreuk wordt gemaakt op zijn recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van betoging (artikel 10 en 11 van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens (hierna: EVRM)).

Conclusie advocaat-generaal (AG)

De AG bracht op 27 februari 2026 advies uit aan de Hoge Raad.

Uitspraak Hoge Raad

De veroordeling van de verdachte in deze zaak voor opruiing tot een strafbaar feit houdt onder meer verband met het (mede) door de verdachte organiseren van een demonstratie.

De Hoge Raad heeft beoordeeld of in de context van deze demonstratie de veroordeling door het gerechtshof geen ontoelaatbare inbreuk vormt op het recht van de verdachte op vrijheid van meningsuiting en op vrijheid van vreedzame vergadering (kortgezegd: het demonstratierecht).

Juridisch kader

Het demonstratierecht is vastgelegd in artikel 10 en artikel 11 van het EVRM. Dit zijn fundamentele rechten in een democratische samenleving. Het demonstratierecht staat aan een strafrechtelijke veroordeling niet in de weg als zo’n veroordeling een op grond van het EVRM toegelaten – te weten: een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en een daartoe in een democratische samenleving noodzakelijke – beperking van dat recht vormt. De strafrechter moet er ook op letten dat van het strafrechtelijk optreden niet een ‘chilling effect’ – dus een ontmoedigende werking – uitgaat op mensen die als organisator en/of deelnemer van hun demonstratierecht gebruik willen maken.

Oordeel hof

Het hof heeft geoordeeld dat het strafrechtelijk optreden tegen de verdachte een beperking vormt op het demonstratierecht maar dat deze bij wet voorziene beperking noodzakelijk was in verband met de bescherming van de gezondheid en het voorkomen van wanordelijkheden.

Het hof oordeelde dat de coronapandemie en de onzekere gevolgen op zichzelf een ‘pressing social need’ – en dus de noodzaak – opleverden voor het opleggen van beperkingen, ook als het zou gaan om een oproep tot een vreedzame demonstratie. Het hof oordeelde echter dat de uitlatingen van de verdachte “bepaald niet” opriepen tot een vreedzaam protest. Het hof betrok daarbij de wanordelijkheden tijdens de eerdere – mede door de verdachte georganiseerde – demonstratie van 21 juni 2020 en ook de omstandigheid dat de verdachte in samenhang met de tenlastegelegde Facebook-uitlatingen heeft gezegd “Het is niet tegen te houden. Bouw in verzet die komt waarschijnlijk met 500 trekkers dus maak je geen zorgen. We openen de snelwegen als dat moet”. Het hof vond dat de verdachte in deze specifieke context met zijn uitlatingen “dusdanig laakbaar gedrag” heeft vertoond dat strafrechtelijk optreden geboden was en niet in strijd met het demonstratierecht.

Het hof oordeelde vervolgens dat het strafrechtelijk optreden als geheel in deze zaak, waaronder ook de bestraffing, niet zo ingrijpend is dat daarvan een ‘chilling effect’ uitgaat. Het hof vond daarbij van belang dat voor de twee bewezenverklaarde gevallen van opruiing is volstaan met de oplegging van een taakstraf van relatief beperkte duur, en dat de door de verdachte ondergane voorlopige hechtenis relatief beperkt is gebleven. Het hof heeft ook gelet en op de concrete gevolgen voor de verdachte van de strafrechtelijke vervolging.

Oordeel Hoge Raad

De cassatiemiddelen van de verdachte slagen niet. In het licht van het juridisch kader is het oordeel van het hof dat de veroordeling voor opruiing met daarbij de oplegging van de 60 uur taakstraf niet onverenigbaar is met artikel 10 en 11 EVRM, juridisch juist en ook toereikend gemotiveerd.

Met de uitspraak van de Hoge Raad zijn de veroordeling en de opgelegde taakstraf definitief.