Hoge Raad vraagt advies aan EHRM over de toepassing van de Wet herziening ten nadele.

• Hoge Raad der Nederlanden

Hoge Raad vraagt in herzieningszaak ten nadele advies aan EHRM over de toepassing van de Wet herziening ten nadele op oude strafzaken van vóór 1 oktober 2013

De Hoge Raad gaat advies (een advisory opinion) vragen aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over de vraag of een strafzaak die definitief is afgesloten vóórdat de Wet herziening ten nadele in 2013 (hierna ook: herzieningsregeling) in werking trad, tóch herzien kan worden. De vraag die gesteld wordt is of zo’n herziening verenigbaar is met rechten die in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) zijn opgenomen. De Hoge Raad wacht met de verdere behandeling van het verzoek totdat het EHRM zich over het verzoek tot het uitbrengen van een advies heeft gebogen. Een advies van het EHRM is niet bindend maar wel belangrijk.

De zaak

Het herzieningsverzoek van het College van procureurs-generaal (het Openbaar Ministerie) betreft een moordzaak uit 2006, waarbij een 28-jarige vrouw dood is aangetroffen in een woning in Alphen aan den Rijn. In 2006 kwam een verdachte in beeld die door het Openbaar Ministerie werd vervolgd voor moord. De betrokkene werd door de rechtbank en het gerechtshof vrijgesproken. De vrijspraak werd definitief na de cassatieprocedure in 2012. Het Openbaar Ministerie wil de strafzaak heropenen, omdat er volgens het Openbaar Ministerie nieuw belastend DNA-bewijs is.

Herziening van een onherroepelijke vrijspraak is mogelijk geworden door een wet die op 1 oktober 2013 in werking is getreden. Deze wet maakt herziening van vrijspraken in uitzonderlijke gevallen mogelijk. Als een herzieningsverzoek door de Hoge Raad wordt toegewezen, wordt de strafzaak heropend.

Conclusie procureur-generaal (PG)

De PG heeft in zijn conclusie van 3 maart 2026 (ECLI:NL:PHR:2026:221(verwijst naar een andere website)) de (voor)vraag aan de orde gesteld of de herzieningsregeling uit 2013 kan worden toegepast op de vrijspraak in deze zaak die in 2012 definitief is geworden. De rechtspraak van het EHRM biedt geen uitsluitsel over de vraag of de door de wetgever beoogde terugwerkende kracht van de herzieningsregeling verenigbaar is met het rechtszekerheidsbeginsel zoals vastgelegd in de artikelen 6 en 7 van het EVRM. De PG adviseert de Hoge Raad daarom het EHRM te verzoeken een advies (advisory opinion) op dit punt te laten uitbrengen.

Tussenuitspraak Hoge Raad

De Hoge Raad volgt in zijn tussenuitspraak dit advies van de procureur-generaal.

Voordat over het herzieningsverzoek kan worden beslist, moet volgens de Hoge Raad eerst de vraag worden beantwoord of de op 1 oktober 2013 in werking getreden regeling van herziening ten nadele kan en mag worden toegepast op een strafzaak die al in 2012 definitief - met een onherroepelijke vrijspraak - is afgesloten.

Voor de beantwoording van die vraag moet worden gekeken naar Nederlands recht en naar het Europese mensenrechtenverdrag (EVRM).

Artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht is als gevolg van de invoering van de Wet herziening ten nadele gewijzigd. Artikel 68 van dat wetboek hield tot 1 oktober 2013 in dat, na een onherroepelijke uitspraak van de strafrechter, geen nieuwe vervolging mogelijk was. De wet hield alleen de mogelijkheid van herziening in het voordeel van een veroordeelde open. Na de invoering van de Wet herziening ten nadele is de betekenis van artikel 68 Sr gewijzigd: bij een onherroepelijke vrijspraak bestaat nu de mogelijkheid van herziening ten nadele. De vraag die hierbij rijst is of een persoon die vóór 1 oktober 2013 onherroepelijk is vrijgesproken, aan artikel 68 Sr zoals dat tot die datum gold, het gerechtvaardigde vertrouwen kan en mag ontlenen dat die vrijspraak niet wordt aangetast.

Het gaat bij de beantwoording van deze vraag om de betekenis van de rechtszekerheid die aan een wettelijke regeling, waarvan de inhoudelijke strekking daarna is veranderd, kan en mag worden ontleend. Voor het bepalen van die betekenis is ook van belang dat op grond van het EVRM alleen in uitzonderlijke gevallen het rechtszekerheidsbeginsel toelaat dat een onherroepelijke uitspraak wordt herzien.

Om te kunnen beslissen of aan de invoering van de wettelijke regeling van herziening ten nadele mogelijk terugwerkende kracht toekomt, is het belangrijk om aan het EHRM een advies te vragen over de betekenis van het mensenrechtenverdrag voor deze zaak. Op basis van de huidige rechtspraak van dat hof bestaat op dit moment onvoldoende duidelijkheid of het rechtszekerheidsbeginsel zoals dat is vormgegeven met artikel 6 en 7 EVRM, die terugwerkende kracht toelaat.

De Hoge Raad gaat over deze vraag daarom eerst een advies vragen. Totdat het EHRM zich hierover heeft gebogen, neemt de Hoge Raad geen verdere beslissingen over het herzieningsverzoek.

Publicatie op rechtspraak.nl

ECLI:NL:HR:2026:1116