Het kabinet kiest voor een gerichte maatregel om de impact van de gestegen brandstofprijzen te verzachten. In plaats van een algemene accijnsverlaging wil het kabinet de maximale belastingvrije reiskostenvergoeding verhogen van 23 naar 25 cent per kilometer.
De hogere prijzen aan de pomp, mede veroorzaakt door het conflict in het Midden-Oosten, raken iedereen, maar niet in gelijke mate. Volgens het kabinet zou een algemene accijnskorting vooral hogere inkomens bevoordelen, terwijl lagere en middeninkomens daar relatief weinig aan hebben.
Met de verhoging van de reiskostenvergoeding wil het kabinet vooral werknemers ondersteunen die voor hun woon-werkverkeer afhankelijk zijn van de auto. Het gaat bijvoorbeeld om mensen die wonen in gebieden waar het openbaar vervoer geen alternatief is of die werken op tijden waarop het ov beperkt rijdt. Daaronder vallen onder meer zorgmedewerkers, politieagenten en buschauffeurs.
Voor deze groep pakt de maatregel financieel gunstiger uit dan een accijnskorting van 10 cent. Bij een wekelijkse woon-werkafstand van 400 kilometer loopt het voordeel op naar 8 euro per week, tegen circa 3 euro bij een algemene verlaging van de brandstofaccijns.
De maatregel vraagt naar verwachting beperkte overheidsmiddelen aangezien de belastingvrije vergoeding door werkgevers wordt betaald. Werkgevers zijn overigens niet verplicht het maximumbedrag te vergoeden, tenzij daarover afspraken zijn vastgelegd in een cao of arbeidsovereenkomst.