De verdere industriële opmars van China legt een pijnlijke Europese tegenstrijdigheid bloot: we willen meer energiezekerheid, maar accepteren een sterke afhankelijkheid voor de technologie die daarvoor nodig is. Wie zonnepanelen uitsluitend op de laagste aanschafprijs beoordeelt, laat de waarde van eigen productie en kennis buiten beschouwing. Europese overheden moeten die waarde zwaarder laten meewegen in aanbestedingen en steunregelingen.
Goedkope import kan de uitrol van zonne-energie versnellen. Maar als Europese fabrikanten ondertussen verdwijnen, verliezen we ook productiecapaciteit, vakmensen en de mogelijkheid om innovaties hier op te schalen. Een fabriek die sluit, staat niet opnieuw klaar zodra internationale handelsverhoudingen omslaan. Eigen productie behouden is daarmee ook een kwestie van economische weerbaarheid.
Productie uit handen geven schaadt koplopersrol van Europa
Als producent zien we hoe nauw de ontwikkeling en productie samenhangen. Nieuwe materialen en circulaire ontwerpen vragen om fabrieken waar ze getest, verbeterd en toegepast kunnen worden. Europa kan moeilijk koploper in duurzame technologie blijven als het de productie daarvan steeds verder uit handen geeft.
Daarom is een vrijblijvende oproep om ‘Europees te kopen’ onvoldoende. Overheden en grote opdrachtgevers kunnen concrete, toetsbare eisen stellen aan milieu-impact, circulariteit en een minder kwetsbare toeleveringsketen. Investeringsbeleid moet fabrikanten bovendien een geloofwaardig perspectief bieden om op te schalen.
Zonder zulke keuzes blijft Europese energiezekerheid vooral een politieke belofte. Een sterke zonne-industrie ontstaat pas wanneer beleid en inkoop die ambitie daadwerkelijk ondersteunen.
