Nederland staat voor een enorme opgave: veel bruggen, tunnels en sluizen uit de jaren vijftig en zestig zijn toe aan vervanging of groot onderhoud. Het meerjarenoverzicht van Rijkswaterstaat laat zien hoe omvangrijk die vernieuwingsslag is, terwijl een groot deel van de financiering nog niet is afgedekt. Vanuit mijn ervaring in het fysieke domein zie ik dit niet als een los probleem, maar als een systeem uitdaging. Alles hangt met elkaar samen: infrastructuur, energie, water, klimaat en ruimte.
Private partijen kunnen een belangrijke rol spelen bij betaalbare en duurzame vernieuwing, maar dat vraagt om duidelijke keuzes van de overheid. De publieke verantwoordelijkheid blijft altijd bij de overheid, maar zij kan strategische partners zoeken in de markt. Dat is niet vanzelfsprekend. Private partijen stappen alleen in als de kaders helder zijn. Hun kracht zit in innovatie, efficiënte uitvoering en het toepassen van nieuwe, meer industriële bouwmethoden. Ook zijn zij beter toegerust om duurzaamheid door te rekenen: het moet aan het eind van de streep kloppen, financieel én inhoudelijk.
Samenwerken betekent niet dat de overheid haar rol opgeeft. Integendeel: het vraagt juist om scherp inzicht in wat je zelf kunt en waar je expertise, capaciteit of uitvoeringskracht inkoopt. In de praktijk gaat het vaak mis omdat samenwerking intern onvoldoende wordt doorvertaald. Iedereen is vóór samenwerken, maar als het voor publieke en private partijen iets anders betekent, verval je snel in oude patronen. Dat wordt structureel onderschat.
Duurzaamheid en klimaat moeten geen losse thema’s zijn, maar onderdeel van de kernopgave. Als je infrastructuur vernieuwt, moet je vanaf het begin rekening houden met circulariteit, energie en ruimtegebruik. Dat vraagt om het vroeg betrekken van andere partijen en om een governance die over organisatie- en bestuursgrenzen heen werkt. Wet- en regelgeving moet daarbij meer ruimte bieden, zodat bestuurders en uitvoerders daadwerkelijk anders kunnen samenwerken.
Voor de lange termijn zijn voorspelbaarheid en leiderschap essentieel. We hebben een duidelijke planning nodig voor de komende vijf, tien tot vijftien jaar, die deels wettelijk is vastgelegd. Zo voorkom je dat doelen telkens veranderen door politieke wisselingen. Daarnaast is leiderschap nodig dat durft te kiezen voor de lange termijn: leiders met visie, die sturen op wat nodig is om resultaat te boeken, ook op de cultuurkant, en niet alleen op afspraken en procedures. Alleen zo maken we de infrastructuur toekomstbestendig.