Nederland is opnieuw gezakt op de WEF-ranglijst van landen met de meeste gendergelijkheid. De daling komt vooral door achterblijvende financiële gelijkheid en ongelijke politieke participatie. De plaats op de lijst laat zien dat Nederland structurele genderongelijkheid nog niet heeft opgelost, maar niet waarom: hardnekkige gendernormen blijven in de weg staan voor echte verandering.
Sociale normen zijn weerbarstig
Uit allerlei onderzoeken blijkt dat Nederlanders in theorie vóór gendergelijkheid zijn. Maar in de praktijk blijven macht, inkomen en vermogen ongelijk verdeeld. Vooral wanneer dit bestaande machtsverhoudingen binnen huishoudens raakt. Zo zijn er nog veel Nederlanders die het normaal vinden dat een man het geld beheert, ook dat van hun vrouw. Lhbtiqa+ onderzoeken laten vergelijkbare beelden zien: in theorie lijkt er acceptatie, maar de praktijk blijft achter. Nederland schat zichzelf progressiever in dan het in de praktijk is.
Mannen missen kansen
Door onze traditionele genderbeelden en normen verrichten mannen nog steeds minder onbetaalde zorgtaken. Daardoor verdienen ze meer, en bouwen ze meer pensioen en vermogen op. Mannen missen hierdoor ook de kans om zorgzame opvoed- en mantelzorgrelaties aan te gaan. Algemene campagnes blijken onvoldoende om deze traditionele genderbeelden te doorbreken. De overheid doet er goed aan om wetten en regels aan te passen, moet vooral maatschappelijke actie van onderop ondersteunen.
Online haat belemmert politieke deelname
Ten slotte is het nodig om online haat tegen vrouwen tegen te gaan. Als Nederland wil dat er meer vrouwen in de politiek komen, moet het hier serieus werk van maken. Online intimidatie verhoogt de drempel voor vrouwen om politiek actief te worden, zich kandidaat te stellen of zichtbaar leiderschap te tonen. Nederland kan in Europees verband regels stellen voor de bedrijven die een platform aan haat geven, en maatschappelijke initiatieven steunen die omstanders online activeren om medegebruikers aan te spreken.