De Nederlandse overheid, zorg en onderwijs leunen zwaar op Amerikaanse cloud- en internetdiensten: in een NOS-analyse is 67 procent van 16.500 belangrijke domeinnamen gekoppeld aan minstens één Amerikaanse clouddienst, met Microsoft op 49 procent marktaandeel. De huidige "tech-paniek" in Nederland is daarom begrijpelijk te noemen, maar ook selectief: dit soort afhankelijkheden zijn het resultaat van jarenlange keuzes, waarin gemak, schaal en lage prijs prioriteit hadden ten opzichte van strategisch risicomanagement. De oplossing is eenvoudig: behandel digitale infrastructuur als strategisch bezit, en maak aantoonbaar risicobeheer en exit-plannen een inkoopvoorwaarde, zonder te doen alsof één soevereine cloud alles oplost.
De discussie gaat vaak over “de Amerikaanse cloud”, maar het risico heeft niet alleen te maken met waar de server staat. Het gaat om een complexe set aan digitale infrastructuur zoals DNS, content delivery, en beheer- en updateketens. Samen zorgen ze ervoor dat onze vitale processen blijven draaien als geopolitiek of wetgeving schuift. Het echte pijnpunt is continuïteit: afhankelijkheid wordt een operationeel risico als updates, support of toegang onder druk komen te staan. Dan helpt het weinig om pas te reageren als de leverancier al onmisbaar is.
Dit risico is van alle tijden: organisaties hebben vaker onderschat hoe snel een technische keuze een strategische afhankelijkheid wordt. De verontwaardiging is daarom deels hypocriet. Nederland heeft dit 'infuus' zelf aangelegd met aanbestedingen die vooral op prijs en standaardisatie sturen.
Pragmatisch betekent dit: classificeer welke diensten écht vitaal zijn, eis portabiliteit en aantoonbare exit-scenario’s waar nodig, ontwerp voor multi-leverancier en uitwijk, en investeer gericht in Europese en lokale alternatieven waar dat realistisch is. Daarmee wordt afhankelijkheid beheersbaar, in plaats van een late verrassing.