Deze week stemde de Tweede Kamer over aanpassingen in de Embryowet. Met de nieuwe wettelijke definitie van een embryo is het politieke debat hierover voorlopig afgerond. Maar een belangrijk thema rondom deze nieuwe stamceltechnieken bleef onderbelicht. Want wat betekent het kunnen nabootsen van embryo’s, eicellen en zaadcellen uiteindelijk voor hoe wij ons voortplanten? Juist die vraag leeft bij burgers, blijkt uit jaren onderzoek van het Rathenau Instituut.
De Embryowet zoekt naar een balans tussen de bescherming van beginnend leven en het belang van medische wetenschap. Burgers kijken breder: zij vinden het erg belangrijk waar het onderzoek uiteindelijk tot leidt. Bijvoorbeeld: in hoeverre willen we genetische eigenschappen van kinderen kunnen beïnvloeden? Leidt onderzoek naar DNA aanpassen nu, uiteindelijk tot steeds verdergaande toepassingen in de toekomst? Of: wat als uit stamcellen gezonde ei- en zaadcellen gemaakt kunnen worden en voor iedereen - jong, oud, man, vrouw, ziek of gezond - een genetisch eigen kind mogelijk maken? Wanneer is dat wenselijk, en wie bepaalt dat?
De meeste mensen vinden onderzoek naar ernstige erfelijke ziekten en onvruchtbaarheid waardevol. Maar zij zien ook andere mogelijke drijfveren achter de ontwikkeling van deze technologie: wetenschappelijk prestige en commerciële belangen bijvoorbeeld. Hun zorgen gaan niet over de wetenschap zelf, maar over de vraag welke doelen uiteindelijk voorrang krijgen en wie hierop stuurt.
Met de opkomst van AI, stamcel- en DNA-technieken, evenals de interesse van Silicon Valley bedrijven (zoals Conception en Preventive) in de genetische aanpassing van het DNA van embryo’s, is het nu tijd om ook te waarborgen dat de beloften voor de volksgezondheid en patiënten in de fertiliteitszorg daadwerkelijk worden waargemaakt. Dat vraagt niet alleen een wet, maar ook actieve sturing op onderzoek met maatschappelijke meerwaarde, klinische relevantie, toegankelijkheid en een zorgvuldige introductie in de fertiliteitszorg.