Schijnzelfstandigheid blijft aandachtspunt nu zzp-regels opnieuw wijzigen

• Traffic Family

De discussie over schijnzelfstandigheid blijft ook in 2026 hoog op de agenda staan. Het kabinet besloot begin maart om het verduidelijkingsdeel van het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden, beter bekend als de VBAR, te schrappen. Tegelijkertijd blijft het rechtsvermoeden voor laagbetaalde zelfstandigen overeind. Daardoor blijft de praktijk voor opdrachtgevers en zelfstandigen voorlopig in beweging.

Het oorspronkelijke wetsvoorstel VBAR moest duidelijker maken wanneer iemand als zelfstandige werkt en wanneer feitelijk sprake is van een arbeidsovereenkomst. Dat verduidelijkingsdeel wordt nu vervangen door een nog uit te werken Zelfstandigenwet. Het kabinet gaf aan hiermee meer rust te willen creëren onder zelfstandigen en opdrachtgevers, omdat het eerdere voorstel volgens het kabinet tot te veel onrust in de markt leidde.

Wel blijft het onderdeel over het rechtsvermoeden op basis van een uurtarief bestaan. Dit moet zelfstandigen met een laag tarief een sterkere positie geven. Voor zzp’ers met een tarief tot 38 euro per uur, peildatum 1 januari 2026, kan daardoor een rechtsvermoeden van werknemerschap gelden. Wanneer een zelfstandige zich daarop beroept, moet de opdrachtgever aantonen dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.

Handhaving blijft doorgaan

De aangepaste koers rond de VBAR betekent niet dat de handhaving op schijnzelfstandigheid stilvalt. Sinds 1 januari 2025 is het handhavingsmoratorium beëindigd en hanteert de Belastingdienst opnieuw de normale regels rond arbeidsrelaties. Wanneer bij controle wordt vastgesteld dat een zelfstandige feitelijk als werknemer werkt, kunnen opdrachtgevers te maken krijgen met correctieverplichtingen en naheffingen loonheffingen.

Sinds 1 januari 2026 is daar een extra risico bijgekomen. De Belastingdienst kan vanaf dit jaar ook vergrijpboetes opleggen. Verzuimboetes worden in 2026 nog niet opgelegd, maar de gedeeltelijke zachte landing neemt niet weg dat opdrachtgevers opnieuw kritisch naar hun samenwerking met zelfstandigen moeten kijken.

Daarbij gaat het niet alleen om wat er op papier is afgesproken. In de beoordeling van arbeidsrelaties speelt vooral de praktijk een belangrijke rol. Relevante vragen zijn onder meer wie bepaalt hoe het werk wordt uitgevoerd, of de zelfstandige zelf ondernemersrisico loopt, of er sprake is van organisatorische aansturing en in hoeverre het werk is ingebed in de organisatie van de opdrachtgever.

Meer aandacht voor vastlegging van afspraken

Voor sectoren waarin veel met zelfstandigen, onderaannemers en projectteams wordt gewerkt, kan de veranderende regelgeving praktische gevolgen hebben. Denk aan bouw, installatie, onderhoud, technische dienstverlening en andere branches waarin opdrachten vaak op locatie worden uitgevoerd. Juist daar lopen werkafspraken, planning, opleverpunten en uren soms door elkaar.

Arbeidsrechtelijke kwalificatie hangt nooit af van één document of één administratief systeem. Toch groeit de behoefte aan beter overzicht. Een duidelijke opdrachtomschrijving, vastgelegde werkzaamheden en consequente urenregistratie kunnen helpen om de feitelijke uitvoering van opdrachten inzichtelijker te maken. Dat is niet hetzelfde als juridische zekerheid, maar het voorkomt wel dat afspraken en werkzaamheden versnipperd raken over losse berichten, papieren bonnen of mondelinge overdrachten.

Ook de dagelijkse werkadministratie krijgt daardoor een grotere rol. In projectmatig werk is het belangrijk om vast te leggen welke werkzaamheden zijn uitgevoerd, welke materialen zijn gebruikt, welke afspraken met de klant zijn gemaakt en wanneer een opdracht is afgerond. Digitale hulpmiddelen zoals een digitale werkbon sluiten aan bij die bredere ontwikkeling, omdat ze opdrachtinformatie en uitvoering op één plek kunnen bundelen.

Onzekerheid blijft voorlopig bestaan

De komende periode zal moeten blijken hoe de Zelfstandigenwet eruit komt te zien en hoe het rechtsvermoeden in de praktijk wordt toegepast. Voor opdrachtgevers verandert ondertussen vooral dat zij alert moeten blijven op de manier waarop zij zelfstandigen inzetten. De grens tussen zelfstandigheid en werknemerschap wordt niet alleen bepaald door contracten, maar door de feitelijke samenwerking.

Daarmee blijft schijnzelfstandigheid een belangrijk aandachtspunt voor bedrijven die afhankelijk zijn van flexibele inzet. De recente aanpassing van de VBAR haalt een deel van de wettelijke verduidelijking van tafel, maar laat de druk op zorgvuldige samenwerking bestaan. Voor opdrachtgevers betekent dit dat duidelijke afspraken, beperkte aansturing waar zelfstandigheid bedoeld is en goede vastlegging van werkzaamheden belangrijker worden in de dagelijkse praktijk.